De meest Wonderlijke en Weergaloze Schepping in deze Realiteit is, mijns inziens, de Lotusplant.
Een Wezen dat zich als zaadje bevindt in de vieze, stinkende drek en toch uiteindelijk zichzelf toont in zijn Glorieuze Verschijning.
Je zou het niet verwachten, edoch zonder de smerige drek wordt de Lotus niet wat ze moet zijn.
Zo bezien moet het Wezen eerst door veel duisternis en drek heen, aleer het verschijnt zijnde een Glorieuze en Goddelijke Verschijning.
De laagheid moet doorleefd en beleefd worden.
Zonder deze afschuwelijke ervaringen wordt de Lotusbloem nimmer wat zij hoort te zijn.
Dit zijn de afschuwelijke aspecten van het niet-zijn:
Misère, oorlog, laagheid, zijnsangsten, leed, geweld, verwarring, zijnsverstoringen, blokkades, marteling, misbruik, trauma, liefdeloosheid, moeite, strijd, etc.
De pure Lotusbloem doorstaat de tand des tijds.
Deze bloem ontstijgt de betrekkelijkheid, de temporele laagheid ofwel het ogenschijnlijke lijden.
Want ja, is het lijden wel echt?
De drek-laag raakt de Heiligheid van het zaadje van de Lotus niet.
De ervaringen van de drek-laag kleuren de pure Essentie van de Lotus wel degelijk, maar deze laagheid raakt niet datgene wat Heilig is en Mooi en Goed.
De Lotus wordt nimmer één met de laagheid.
Anders zou het haar einde zijn. Het einde van haar Zuiverheid en Ziel en Zaligheid.
De Lotus mag gevormd worden door de meest vreselijke ervaringen, edoch zij wordt nimmer één met deze toestanden.
Zij staat dus los van de drektoestanden die haar slechts omringen.
Ze besmeuren haar niet.
Door de meest vreselijke ervaringen wordt zij wijzer en rijker van Bron en Essentie.
Eens zal zij onverstoorbaar mogen schijnen en bloeien, edoch zolang zij nog een zaadje is, in duisternis en drek, zal zij huilen en pijn ervaren en lijden aan de afschuw en alles wat haar wordt aangedaan en getoond, maar wat haar nimmer zal besmeuren.
Zij blijft een puur Wezen, zelfs in de smerigste drek.
Zelfs in de diepste duisternis blijft zij een Lotuszaadje, bestemd om iets te worden, wat ongelofelijk is en wonderlijk en Glorieus en Weergaloos.
Haar Bestemming ligt vast. Haar Wezenlijke Doel ook.
Dit weet zij echter (nog) niet.
Zij denkt dat het lijden is dat haar wordt aangedaan. Dat zij moet ervaren.
Maar zij is datgene wat alles zal overwinnen, datgene wat Utopisch is en Krachtig genoeg om zich te redden uit de drekervaringen, die er niet om liegen.
En zodra zij bloeit, zal dit voor altijd zijn en Eeuwig.
Genoeg duisternis en drek heeft zij ervaren om de Eeuwige Zon te mogen begroeten, die op haar zal schijnen zodat zij zichzelf mag zien, in haar waarachtige Gedaante, mooi zuiver en wit glanzend en geurend in het gouden zonlicht.
Dit is dan ook de troost en de Zegen van al wat zich in de duisternis en drek bevindt.
Zowel het lijden als het slechte is temporeel.
De uiteindelijke staat van Glorie en Bloei is Eeuwig.
Zodra het wateroppervlakte is bereikt, valt de Lotus nimmer terug tot een drekkige staat van Zijn. Nimmer meer.
Zij mag nu bloeien, haar Pracht en Wezen tonen en op deze wijze de Ganse Schepping verrijken en Inspireren met haar uitmuntende Verschijning.
Weet dan, lieve getergde en lijdende Ziel, dat het ooit anders zal zijn.
Nu nog niet, maar het Eeuwige zonlicht wacht ook op jou.
Jij leeft nu nog onder water, in duisternis en drek, maar weet dat jouw ongelukkige toestand Zin heeft en Doel en Bestemming.
Dit te weten is als een tedere kus op jouw (ziels) wonden. Ik wens dat deze woorden jou zullen Helen en Inspireren en Leiden.
Dat deze Kennis jou zicht mag geven op een bijzondere en mooie toekomst, die misschien nog niet van nu is, maar van later, veel later.